Overweging

OVERWEGING BIJ DE LAATSTE REGULIERE VIERING VAN DE GODDELIJKE LITURGIE VAN DE KATHOLIEKE GEMEENSCHAP VAN DE BYZANTIJNSE RITUS “BLAGOVEŠČENSKAJA” / MARIA BOODSCHAP

BYZANTIJNSE KAPEL, Nijmegen, 24 oktober 2015,       br. Cees van Dam c.s.a.

Apostellezing: Gal. 6,11-18

 

Waarde Vaders, Zusters en broeders,

Wat fijn dat u met zovelen gekomen bent om vanavond met ons met ons mee te vieren in deze laatste reguliere viering van de goddelijke liturgie volgens de Slavisch-Byzantijnse ritus van onze gemeenschap, gewijd aan Maria Boodschap. Vader Harry Sterenberg en Vader Jan Kaandorp die voorgaan in deze viering, met Vader diaken Wim Tobé. Onze trouwe ‘Vrienden van de Byzantijnse Kapel’, waaronder ook parochianen en bestuursleden van de Servisch-Orthodoxe en Russisch-Orthodoxe gemeenschappen, maar ook het bestuur van de landelijke instelling Pokrof, vertegenwoordigers van andere byzantijnse gemeenschappen in Nederland, en anderen die om diverse redenen hier bij ons willen zijn. Hartelijk welkom. We stellen Uw aanwezigheid en meevieren zeer op prijs!

Als we terugkijken op de afgelopen jaren, jaren van gestadige krimp, dan hadden we dit moment kunnen zien aankomen. Maar je blijft hopen, want we ervoeren toch nog zo veel moois, wat ons dierbaar was en inspireerde. Maar dan raakt alles ineens in een stroomversnelling en voor je het weet – en zeker eigenlijk nog lang niet wilt – is het moment nu aangebroken dat we met onze gemeenschap en u allen de laatste goddelijke liturgie vieren. De datum is om een praktische reden gekozen, en wat is het dan treffend dat de apostellezing die de liturgische kalender ons vandaag aanreikt precies handelt over de materie waaraan onze gemeenschap vlak na de oorlog haar ontstaan dankte en die ons tot op de dag van vandaag ter harte gaat.

De apostellezing is ook een afsluiting: Zijn groet en de samenvatting die de apostel Paulus nog eens geeft aan het einde van zijn brief aan de Christenen van de Romeinse provincie Galatië – over het algemeen heel jonge kerken, die nog nauwelijks georganiseerd waren en hun christelijke identiteit nog moesten bestendigen. De meeste christenen uit deze kerken waren van niet-Joodse afkomst. Paulus’ brief  gaat over een vraag die in de eerste decennia van de kerk een belangrijke en uiterst gevoelige was: Moest je je eerst laten besnijden en de Joodse voorschriften naleven om door God als rechtvaardig te worden aangenomen en als lid van zijn uitverkoren volk? Kortom: Wie horen erbij en wie horen er niet bij; Wie mógen erbij horen en wie mogen er niet bij horen.

Maar als we al zouden denken dat de vraag ‘wie erbij horen’ alleen toen speelde, dan hebben we het goed mis. Wij die hier vandaag aanwezig zijn, weten heel goed dat de kerkgeschiedenis er een is van cultuur- en taalverschillen, communicatiestoornissen, en uiteindelijk tegenstellingen en scheidingen. De vraag ‘wie erbij horen’ wordt, in feite, nog steeds op allerlei niveaus gesteld en, vrees ik, misschien zelfs wel met een grotere nadruk op wie er niét bijhoren. Het is dus uiterst belangrijk dat er, als tegenkracht, aandacht is voor de oecumene en het herstel van de eenheid onder de Christenen.

En aan die beweging en activiteiten dankt onze gemeenschap ook haar bestaan. Ze is voortgekomen uit het Oosters Werk van de paters Kapucijnen in Nederland, die na de Tweede Wereldoorlog op verzoek van de Vaticaanse Congregatie voor de Oosterse Kerken enkele paters hadden vrijgesteld om mensen uit Oost-Europa (vooral uit de voormalige Sovjetunie) materieel en geestelijk bijstand te verlenen. Ze ontstond rond pater Zacharias Anthonissen, die een tijd priester geweest was in de Estse stad Narva maar vandaar in 1939 moest vluchten. In 1949 kreeg hij een aanstelling aan de Nijmeegse theologische faculteit; hij gaf Russische lessen en ging voor in vieringen. Er ontstond een koor en rond 1956 werd een eigen kapel ingericht op de zolder van de school in de Stieltjesstraat. (Deze school werd door broeders van mijn congregatie ‘bediend’ en zo werd ik in 1968 als piepjonge broeder-in-opleiding/student meege-sleept naar de kapel-op-zolder omdat het misschien ‘wel iets voor mij was’. Dat was het en is dat tot op dit moment, 47 rijke jaren later, gebleven.)

Toen de school in 1988 gesloopt werd, kregen we de beschikking over deze mooie kloosterkapel van de Zusters Dochters van Maria. In 1991 diende zich de Servisch-Orthodoxe parochie van de H. Savva aan. Dat was toen nog allerminst vanzelfsprekend. Een Orthodoxe parochie in een Rooms-Katholieke kapel ? Horen we wel bij elkaar ? Mógen we wel bij elkaar horen ?  In 2005 trok ook de Russisch-Orthodoxe parochie van de H. patriarch Tichon bij ons in. En zo ontstond een bijzondere samenwerking rond onze kapel.

In zijn brief aan de Galaten zet Paulus zwaar retorisch geschut in en rekent in niet mis te verstane woorden af met de vraag van ‘wie er wel of niet bij horen’: Wie in Christus als Gods reddende gave aan de mensen gelooft, is door God rechtvaardig bevonden. Gelovigen hebben de Geest van Christus ontvangen, waardoor ze de zonde kunnen weerstaan en in eenheid kunnen leven met allen die ’in Christus’ zijn, ongeacht afstamming, etnische groepering, nationaliteit, sociale positie of geslacht. Met andere woorden: Christus heeft zijn volgelingen niet alleen bevrijd van zonde en vloek, maar ze ook vrij gemaakt om te leven in gemeenschap met God, met Christus en met elkaar. Christus is gestorven voor onze zonden en het geloof hierin is voldoende om erbij te horen. Om erbij te mogen horen.

In die geest van Paulus heeft onze gemeenschap haar steentje bijgedragen aan, zoals in onze statuten staat, het ‘respectvol omgaan met en het zuiver en getrouwvol bewaren van het liturgisch en geestelijk erfgoed van de Oosterse kerken’ en het ‘bevorderen van de verzoening tussen de christenen van Oost en West’. En we willen dat ook blijven doen.

Ik heb dierbare herinneringen aan pater Zacharias, aan het echtpaar Hermine en Frans van Dinter dat decennia lang het hart van de gemeenschap heeft gevormd, en aan vele voorgangers, koorzangers, medewerkers en trouwe kapelbezoekers. Ik zou ze dolgraag allemaal even de revue willen laten passeren, maar dat zou wel heel veel tijd vragen en niet de bedoeling zijn van deze overweging. We zullen ze dadelijk allemaal noemen en herdenken in de dringende litanie en in de litanie van de overledenen, met genegenheid en in grote dankbaarheid.

Het is ook niet omdat we niet meer in dat ideaal van Paulus zouden geloven, dat het bestuur heeft moeten besluiten te stoppen met de reguliere maandelijkse vieringen van de Goddelijke liturgie. Zoals Paul Baars ook in de rondzendkapelbrief heeft geschreven, is dit een heel moeilijk besluit geweest dat niet licht is genomen en met emoties gepaard is gegaan. Maar we hebben moeten accepteren dat onze gemeenschap geleidelijk aan steeds kleiner is geworden, ondanks alles wat we geprobeerd hebben om het tij te keren. En dan komt het moment dat je je moet afvragen of je de weinige medewerkers nog zwaarder mag blijven belasten en, zeker niet minder belangrijk, of je nog voldoende kwaliteit kunt blijven leveren voor een waardige en inspirerende viering van de liturgie. Daar komt bij dat we na het overlijden van Vader Rudolf van Dijk een zwaarder beroep moeten doen op de voorgangers van de landelijke instelling Pokrof, terwijl men ook daar aandacht moet vragen voor dreigende overbelasting en vraagt om meer samen te werken zodat met een lager beroep kan worden volstaan. En is het dan nog verantwoord om een voorganger te vragen die van ver moet komen voor een steeds kleiner aantal trouwe kapelbezoekers ?

Het is lang goed gegaan, met veel hulp, hulp van de landelijke instelling Pokrof, hulp van leden van het Nijmeegs Byzantijns Koor (NBK), van de Russisch-Orthodoxe parochie en van de Servisch-Orthodoxe parochie. Hulp, na het vertrek van Constantijn, van onze nieuwe dirigente Olga Kudryashova, die echter helaas opnieuw zeer ernstig ziek is geworden. We zijn uitermate dankbaar voor alles wat ook in de laatste fase gerealiseerd is kunnen worden. Een intieme viering in een klein groepje kan uitermate zinvol, mooi en inspirerend zijn en vormde voor enkele meevierenden juist daarom ook een extra aantrekkingskracht. Ik denk ook nog graag terug aan de prachtige viering van de landelijke Pokrofdag in onze kapel en in ‘De Haard’ op 20 oktober, precies twee jaar en vier dagen geleden. Wat fijn dat we dat toch nog hebben kunnen doen!

Dankbaarheid is ook boven alles de overwegende emotie als ik de ruim 60 jaren beschouw waarop onze gemeenschap nu mag terugkijken. En ik stel het op hoge prijs dat ik die dankbaarheid  hier nu kan uitspreken, want ieder van u die hier aanwezig is, is daar op de een of andere eigen  manier wel bij betrokken geweest. Dank daarvoor!

Nu mogen we dan vandaag in deze kapel de reguliere vieringen van de Goddelijke Liturgie in de Slavisch-Byzantijnse ritus voor het laatst vieren, dat betekent niet dat het ideaal van Paulus ons niet meer ter harte gaat. Integendeel. De Stichting Byzantijnse Kapel Nijmegen blijft bestaan en we zijn het bestuur van de Landelijke Instelling Pokrof dankbaar dat we volwaardig lid van deze instelling mogen blijven. De stichting hoopt als het ware een soort diensten- en misschien wel inspiratiecentrum  te blijven voor, wat ik U al uit onze statuten citeerde: het ‘respectvol omgaan met en het zuiver en getrouwvol bewaren van het liturgisch en geestelijk erfgoed van de Oosterse kerken’, en het ‘bevorderen van de verzoening tussen de christenen van Oost en West’.

De Servisch-Orthodoxe- en Russisch-Orthodoxe parochies kunnen gebruik blijven maken van de kapel, en met enige regelmaat worden we benaderd door andere geloofsgemeenschappen of groepen. Misschien kan de kapel ook iets gaan betekenen voor het Nijmeegs Byzantijns Koor (NBK).

Het Oosters werk van de paters Kapucijnen is indertijd voortgekomen uit de grote geopolitieke ontwikkelingen van dat moment, ten behoeve van diegenen die uit hun eigen omgeving waren vertrokken om te ontsnappen aan oorlog, geweld of een beklemmend doctrinair stelsel. Het zal niemand van ons hier ontgaan zijn dat we nu opnieuw op een wel heel schrijnende wijze geconfronteerd worden met grote stromen vluchtelingen. Misschien kan de kapel iets betekenen voor de christenen uit het Midden Oosten. Ze zijn heel welkom. Ook zij horen er, van harte, bij!

Hoe dan ook, we zijn u allen bij voorbaat erkentelijk voor Uw blijvende sympathieke belangstelling voor en betrokkenheid bij wat er hier rondom onze kapel gebeurt.

Dank voor het vele wat we voor elkaar hebben mogen betekenen. Zo zijn we kerk.

In het vertrouwen dat we er allemaal mogen bij horen, wens ik u, met Paulus, van harte Gods Genade en Geest toe.

Vrede en alle goeds.